26 oktober 2002  

Vannacht heb ik van je gedroomd. Meestal droom ik over hoe ziek je bent en zo ook vannacht. Ik zag je in mijn droom zieker en zieker worden en wist dat je dood zou gaan. 

Ik bleef er in mijn droom heel rustig onder, want ik wist, dat er geen kwaliteit van leven meer voor je was en dat er een einde aan dit ondraaglijke lijden moest komen. 

Ik hoor wel eens van andere ouders, dat die van hun kind dromen en dat in hun dromen het kind vertelt, dat hij zo blij en gelukkig is. Hoewel ik wel sterk het gevoel heb, dat je dicht bij me bent, heb ik dat soort dromen nooit. 

Elke keer toen ik vannacht wakker werd en weer in slaap viel, droomde ik gewoon verder. Ik weet niet of je me iets duidelijk wil maken. Ik had vanmorgen toen ik opstond wel heel sterk het gevoel, dat ik even naar je toe moest. Ondanks het slechte weer en de vreselijke storm ben ik toch naar je grafje gegaan. 

Er was veel omgewaaid en de bloemen waren ook op. Ik realiseerde me, dat de Kitkat, die ik op jouw sterfdag had neergelegd, helemaal weg was. Misschien hadden de egeltjes hem opgegeten en was het papier ook weggewaaid. Je zou het leuk gevonden hebben om te zien, dat de egeltjes aan je kitkat hadden gegeten. Ik haalde de herfstblaadjes weg en zorgde ervoor, dat je grafje er weer netjes uitzag.  Heel symbolisch had ik 8 lucifers nodig om de kaarsjes bij je te branden, omdat de stevige wind ze steeds uitblies. Toen ik bezig was, brak het zonnetje door. Op het bankje met het zonnetje op mijn gezicht bleef ik een tijdje bij je zitten. 

Ik voelde zo sterk de behoefte om nog eens door je haartjes te woelen, om over je hoofdje te aaien, om je lijfje te voelen. Ik mis je....Ik kan je niet zeggen hoeveel....

26 oktober 2002