Zonder Rashid

Het is nu zes jaar geleden dat Rashid in mijn armen stierf en ik weet niet hoe ik de tijd doorgekomen ben. Enerzijds lijken het maar zes dagen, anderzijds wel twintig jaren. Rashid glijdt steeds verder van me weg.

Het eerste jaar na Rashid's overlijden rekende ik in dagen, weken, maanden dat hij er niet meer was. Na een jaar ben ik daarmee opgehouden. Toen begon ik te rekenen in "voordat Rashid overleden was"en "nadat Rashid overleden was".

In het begin wilde ik zo veel mogelijk het verhaal vertellen, wat er allemaal met Rashid gebeurd was en wat we samen meegemaakt hadden, hoe hij genoten en ook geleden had. Maar het verhaal werd steeds beknopter en zakelijker. Totdat er nog maar een zin overbleef: “Hij is dood.” Dat is wat mijn hele leven overhoop gehaald heeft. Al het andere is niet belangrijk, niet het hoe en het waarom. Zelfs niet hoe oud hij was: hij was veel te jong!
Het eerste jaar nadat Rashid overleden was, kon ik niets anders dan me bezighouden met dat enorme verdriet. Als iemand nu vraagt : “Hoe gaat het met je? Wat heb je al die tijd gedaan?”, wat moet ik dan vertellen?  Want er is niets te vertellen. Ik heb zoveel verdriet gehad, dat het pijn deed. Ik was wanhopig, heb me afgevraagd waarom hij dood was. Ik heb op Rashid's terugkomst gewacht, totdat de dag aanbrak dat ik wist dat hij nooit meer terug zou komen. Elke dag huilde ik en was ik tot niets anders in staat. Elke nacht sliep ik en werd de volgende ochtend verkrampt wakker. Uitgerust was ik nooit. Het verdriet was er 24 uur per dag en het verlamde me, verstikte me en verhinderde het me “normaal” te functioneren.

Vaak heb ik me afgevraagd waarom ik niet dood was, want ik had altijd gedacht dat de dood van een van mijn kinderen het ergste was dat me ooit zou kunnen overkomen en dat als het zou gebeuren ik niet meer verder kon en wilde leven.  Hoewel een groot gedeelte van mij op dat moment wel dood ging, stierf ik niet op het moment dat Rashid stierf. En hoewel ik voor de buitenwereld nog leef, merk ikzelf dat de levensvreugde uit mijn leven verdwenen is, vind ik dus dat ik eigenlijk helemaal niet leef. Ik probeer me alleen maar staande te houden. Ik overleef. Vaak heb ik het gevoel gehad dat het voor mij allemaal niet meer hoefde, maar om daadwerkelijk een einde aan mijn leven te maken, daarvoor moest ik een bepaalde grens overschrijden, die ik niet overschrijden kon.

Inmiddels weet ik dat er nog iets ergers is dan het sterven van je kind, namelijk het sterven van je beide kinderen! Vaak ben ik zo bang dat mijn oudste zoon ook dood zal gaan. Nachtmerries heb ik ervan gehad en zag me in gedachten ook zijn begrafenis al regelen.  

Er  is een tijd voordat Rashid ziek werd en nadat hij ziek werd. Er is een tijd voordat hij stierf en nadat hij gestorven was. En de tijd daarna wordt nooit meer als daarvoor. Ik heb noodgedwongen geleerd mijn leven anders in te richten zonder Rashid, met heel veel pijn en verdriet. Vaak stond ik stil, soms ging ik een stap vooruit en twee stappen achteruit, om dan ineens weer drie stappen vooruit te gaan. 

Alles deed ik voor mijn gestorven kind: ik schreef dagboeken vol, ik bekeek de foto's keer op keer, ik bewerkte de videobanden, en tegelijkertijd nam ik afscheid van hem. Ik probeerde wanhopig mijn kind vast te houden, maar ik merkte dat hij tussen mijn vingers doorglipte. Toch hervond ik hem op een andere manier: in mijn herinneringen. En er kwamen er steeds meer terug, die ik koesterde. Aanvankelijk schreef ik alles op, wat ik me kon herinneren, zo bang was ik om ook maar iets te vergeten. Nachten lang schreef ik in mijn dagboeken. Inmiddels heb ik er acht vol. Alles wat “vroeger” zo gewoon was, werd nu dierbaar. 

Toen brak het moment aan dat ik ook van mijn tweede kind afscheid zou moeten nemen, want hij wilde niet meer bij me blijven wonen. Het verdriet, de wanhoop, de boosheid en het afscheid waren hetzelfde.
Van moeder van twee kinderen zou ik voor de wet “alleenstaande” worden. Er is geen woord voor een moeder, waarvan de kinderen niet bij haar thuis wonen. Evenmin is er een woord voor een moeder waarvan een kind overleden is. En elk formulier dat ik moest invullen deed weer pijn.  Alles in mij verzette zich tegen het feit, dat ik Rashid nergens meer hoefde te vermelden. 
Ook werd ik heel bang voor het alleen zijn. Karim wilde bij zijn vader wonen en Rashid was overleden. En ik, die altijd voor 200% moeder was geweest, die alles voor haar beide kinderen over had, die niets liever deed dan voor mijn kinderen te zorgen, ik zou alleen komen te staan. De zorg voor mijn beide kinderen werd me afgenomen. Ik ontdekte dat de muren thuis op me af kwamen. Nu zou hele dagen thuis zitten niet meer leuk zijn, omdat Karim ook niet meer thuis zou komen. Ik zou alleen voor mezelf moeten zorgen, maar dat had ik nog nooit gedaan. Ik had altijd alleen maar voor anderen gezorgd en ikzelf kwam altijd pas op de laatste plaats.

 Dus kwam heel aarzelend het idee dat ik misschien wel een baan zou moeten zoeken om mijn dagen te vullen. Terug het onderwijs in, waar ik vroeger met zoveel plezier gewerkt had, dat kon ik niet meer. Ik was te zeer beschadigd door het leven en voelde me niet meer sterk genoeg om klassen vol met pubers in toom te houden. Zo kwam ik terecht bij de opleiding voor Juridisch Kwaliteitsmedewerker. Was als een grapje begon werd steeds serieuzer. Ik solliciteerde met het gevoel, dat ze mij toch niet wilden hebben (ik was immers al bijna 40), maar werd tot mijn stomme verbazing aangenomen. Ik begon aan de reis naar het opleidingsinstituut in Rotterdam met in mijn achterhoofd het idee: “Ik hoef dit niet door te zetten, ik kan op elk moment stoppen.” Dat idee gaf me de kracht om wel door te zetten. En ik heb elke stap heel bewust genomen: op de fiets naar het station, in de trein naar Rotterdam, in de bus naar school en uiteindelijk het gebouw in. Steeds dacht ik: “Je kan nog terug.”  Maar ik zette door met het gevoel dat Rashid me begeleidde en beschermde bij iedere stap. De opleiding was confronterend. Steeds weer liep ik tegen mijn verdriet aan en kwam het levensgroot voor me te liggen. 

En toen kreeg ik een stageplek in Haarlem, terwijl ik steeds had aangegeven niet uit mijn eigen veilige plekje weg te willen. Ik wilde zo dicht mogelijk bij huis blijven, in Amsterdam. Maar ook daar kwam ik doorheen.

En Karim bleef ook. Hij besloot uiteindelijk niet weg te gaan. Maar makkelijker ging het niet tussen ons. Ik was te zeer veranderd. Ik was niet meer de moeder, die ik altijd ben geweest. Ik dekte geen paas- of kersttafels meer met kuikentjes, kaarsen en mooie servetten. Ik had geen zin meer om eieren te verven of kerststukjes te maken. Ik kocht geen cadeautjes meer voor Sinterklaas. Maar ik wilde wel samen met Karim naar de film op Sinterklaasavond.  Met het sterven van Rashid verloor ik niet alleen mijn kind, een stuk van mezelf, maar ik verloor ook vele contacten met familie, vrienden en kennissen. En ook op Karim heeft het overlijden van Rashid enorme inpact gehad. Hij hield op "kind" te zijn en werd in een klap volwassen.

Ik merk dat ik heel erg veranderd ben. Ik ben assertiever geworden, opstandiger. Ik kan niet meer alles als vanzelfsprekend aannemen, want ik heb ondervonden hoe vergankelijk het leven is. Ik kan niet meer onbezorgd van iets genieten, want bij alles wat ik doe is dat enorme verdriet aanwezig. Ik draag het als een schaduw met me mee. Soms ligt de schaduw naast me, soms achter me, maar vaak ook levensgroot voor me. Wat er in de wereld gebeurt, gaat langs me heen: het leed in mijn eigen huiskamer is al een te zware last om te dragen.In een kamer vol visite voel ik me eenzaam en alleen. Van veel mensen vind ik dat ze zich druk maken om niets. 

Ik kan niet meer zo goed aan het leven deelnemen, hoewel ik wanhopig mijn best doe. Ik voel me het meest op mijn gemak bij de mensen die naar me luisteren, die niet steeds met goedbedoelde raadgevingen klaarstaan. Want dat biedt geen troost. Alles wat men zegt kan ik zelf ook bedenken, maar het voelt zo anders. Mijn verstand en gevoel lopen sinds een aantal jaren niet meer gelijk. 

Veel mensen zeggen: “Wat fijn dat je weer werkt, dan heb je afleiding en hoef je er niet aan te denken."   Wat weten zij hoe vaak ik huilend in de trein heb gezeten, hoezeer ik moest stoppen met typen omdat ik verblind was door tranen, hoe een opmerking van een collega op het werk voldoende was om me uit mijn wankel evenwicht te trekken. Een opmerking zoals: “Kleine kindertjes worden vanzelf groot.”  En ik wist dat het niet waar was, dat er een wonder nodig was om een kindje gezond geboren te laten worden en veilig groot te laten worden. Maar wie dacht daaraan?  Toch alleen de mensen die het overlijden van een kind zelf meegemaakt hadden? Vele opmerkingen, niet bedoeld om te kwetsen, kwetsen toch, zoals  de vreselijke uitdrukking:"Iedereen krijgt wat hem toekomt," of :"Daar heeft hij een broertje dood aan." Schelden met het woord "kanker" doet ook zo'n pijn. Dan zou ik het wel uit willen schreeuwen:"Weet je wel wat je iemand toewenst,  hoe vreselijk deze ziekte is?"

Drie  jaar geleden ben ik een lieve man tegengekomen, waarmee ik getrouwd ben. Hij heeft me geleerd weer aan het leven deel te nemen, om te genieten van een etentje, om in een cafe een drankje te drinken zonder me heel erg verloren te voelen. Helaas besloot mijn oudste zoon Karim, nu inmiddels 16 jaar oud, om toch bij zijn vader te gaan wonen. Het was voor hem net zo moeilijk om weg te gaan als voor mij om hem te laten gaan. 
Hoewel het verdriet nu niet meer zo schrijnend op de voorgrond ligt en ik niet meer zo wanhopig ben en ik niet meer de hele dag loop te huilen, huilt een stuk van mijn hart altijd. Maar dat ziet niemand. Ze vinden mij zo flink en zo dapper. Misschien ben ik dat ook wel als ik “gewoon” mijn boodschappen doe, mijn hond uitlaat en mijn huishouden doe, als ik grapjes maak op het werk en voor iedereen een luisterend oor heb. 

Maar ik mis mijn kinderen zo intens; met Rashid verdween de vrolijkheid uit mijn leven, mijn zonnetje, het ongedwongene en het ongecompliceerde. Ik mis de grapjes die hij altijd maakte, de spelletjes die we samen speelden, de lange fantasieverhalen die hij me altijd vertelde, de troost die hij me bood. Gelukkig heb ik wel veel contact met Karim en kan ik hem ook af en toe opbellen, even met hem bijpraten. Ik wilde dat er ook een telefoonlijntje met de hemel bestond, waarvan ik overtuigd ben, dat Rashid daar op me wacht. 

In het begin kon ik me hem bijna niet herinneren, en ik werd er bang van. Alles schreef ik op om het maar vast te houden, maar ook om mijn gedachten en verdriet te ordenen, en om met hem in gesprek te blijven. Hardop met Rashid praten kon ik niet, van hem dromen kon ik ook niet (en ik wilde dat zo graag), maar ik kon wel schrijven. En ik schreef soms urenlang. Totdat ik na een jaar merkte, dat ik steeds dezelfde dingen opschreef: het verdriet bleef, de pijn bleef en hij kwam niet terug. En ik besloot daarom mijn dagboek af te sluiten.

Nog steeds is het belangrijk voor me om voor Rashid te zorgen. Eenmaal per week ga ik naar de begraafplaats en maak ik het grafje in orde: ik zet verse bloemen neer, haal de blaadjes weg en veeg de randjes schoon. Als ik op vakantie ga, zoek ik altijd iets om bij Rashid neer te zetten: een windorgeltje, een windmolentje, een klein stenen beeldje.

Het maken van deze homepage was belangrijk omdat ik voor Rashid een monument wilde oprichten. Ook speel ik met de gedachte om mijn dagboeken in boekvorm uit te laten brengen. Er is alleen nog moed voor nodig om al mijn gedachten aan de openbaarheid prijs te geven. Misschien zal het eens zover komen, ooit..............